H E R D E N K E N  I S  D O O R G E V E N
Het verhaal van het koperen plaatje Het blijkt een plaatje te zijn dat aan de synagoge werd geschonken door de broers Moshe (Moritz) en Jacob (Jacques) en hun zuster Gouda Lobstein. De spreuk op het plaatje komt o.a. voor in het Kadishgebed, uitgesproken door een zoon na het overlijden van een ouder gedurende de rouwperiode van 11 maanden en op de jaartijddag. De schenking omvatte ook een lampje, als symbool van eeuwig licht (Ner Tamid). Het lampje en het plaatje zijn de herinnering aan de overleden vader, Shalom Lobstein, gestorven op 2 december 1919. Het eeuwig licht is in de joodse traditie een lamp die altijd brandt en hangt naast of voor de Heilige Ark. Het kleine model uit de schenking hing in de synagoge, het koperen plaatje zal daarbij hebben gehangen. Plaatje en lichtje zijn waarschijnlijk in het jaar 1920 geschonken. De familie Lobstein behoorden tot het priestergeslacht. De familie vestigde zich rond 1825 in Borculo. Zij kwamen uit Brück, een stadje niet ver van Berlijn. Net als zoveel joden hoorde ook het gezin Lobstein tot de stand van kooplieden. Shalom Lobstein werd in 1844 geboren. Met zijn vrouw Ester Michaela kreeg hij 4 kinderen, waarvan de tweede al na 3 weken overleden is. Shalom was koopman- winkelier en noemde zich later manufacturier. Zijn vrouw overleed in 1908. De kinderen Lobstein: Moritz Moshe ha-Cohen (Moritz) is geboren in Borculo in 1881 en overleden in Amsterdam in 1976. Hij trouwde in 1907 met Catharina van Huiden. Zij en hun kinderen woonden in Meppel. Moritz was in de periode 1927-1941 o.a. raadslid van deze gemeente. Tot 1935 was hij wethouder en loco-burgemeester. Hij vervulde op kerkelijk gebied vele functies. Het gezin wilde in 1940 verhuizen naar Amsterdam. De Tweede Wereldoorlog verhinderde dit. In oktober 1942 werd het gezin naar Westerbork afgevoerd. Begin 1943 mochten ze het kamp weer verlaten. Als lid van de Joodse Raad voor de provincie Drenthe had Moritz een beschermde status, maar enige tijd later moesten zij desondanks weer terug naar Westerbork. Daar werden Moritz en Catharina geselecteerd als ‘Palestina-joden’ voor een uitwisseling met in Palestina door Engelsen geïnterneerde Tempeliers met Duitse nationaliteit. Zij werden getransporteerd naar Bergen Belsen, waar de uitwisseling plaats vond, en daarna via Istanboel naar Haïfa. Catharina overleed daar aan een hartaanval, Moritz kwam terug naar Nederland.
Jacques Ja'akov ha-Cohen (Jacques) is geboren in Borculo in 1883 en overleden in Tröbitz in 1945. Hij was getrouwd met Alagonda van Rijn. Het echtpaar had 2 kinderen, waarvan Frieda in 1935 naar Palistina verhuisde. Jacques was zenuwarts en directeur-geneesheer van de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornse Bos. Hij heeft gedurende de oorlog in zijn kliniek vele Joden opgevangen, waaronder ook zijn zus Gouda. Begin 1943 werden alle bewoners van de inrichting, inclusief het personeel en het gezin Lobstein via Westerbork afgevoerd naar Auschwitz. Zoon Siegfried werd er direct na aankomst vermoord. Jacques en zijn vrouw maakten deel uit van het zg. ‘verloren transport’, de laatste van drie treinen waarmee kort voor het einde van de oorlog 6800 joden werden afgevoerd uit concentratiekamp Bergen-Belsen, toen de Britse troepen het kamp naderden. De bestemming van deze zg. ‘Austauschjuden’ was concentratiekamp Theresienstadt. De laatste van deze drie treinen kwam uiteindelijk, na een dwaaltocht door de nog niet door de geallieerden bezette delen van Duitsland, in Tröbitz aan. Op 23 april 1945 vonden oprukkende troepen van het Sovjetleger de trein. Zij bevrijdden de gevangenen, van wie er ongeveer 200, niet hadden overleefd, uit de wagons. In de weken die volgden, stierven door een epidemie nog 320 mensen aan de gevolgen van dit dodentransport. Ook Jacques en Alagonda behoorden tot de slachtoffers. Gouda Zij is geboren in Borculo in 1885 en werd vermoord in Sobibor in juli 1943. Een Stolperstein van haar ligt voor haar woonhuis, destijds Muraltplein 44 te Borculo. Op deze plek had Gouda, soms Gonda of Gousje genoemd, een fourniturenwinkel. Zij was een alleenstaande, vriendelijke vrouw. In het pand woonden drie generaties Lobsteins, de grootvader van Gouda, Moritz, en haar vader Shalom. Gouda werd in Apeldoorn gearresteerd. Haar broer Jacques had haar met valse verklaringen opgenomen in zijn psychiatrische kliniek, samen met nog vier Borculose joden. Hoewel de Duitse autoriteiten hadden beloofd dat de patiënten weliswaar onder bewaking zouden worden gesteld en niet verplaatst, werd in eerste instantie een aantal van hen toch naar Westerbork afgevoerd en in januari 1943 volgden alle andere patiënten en het gehele personeel. In juli 1943 werd Gouda in Sobibor vermoord.